Melaatse

Melaatse

De kerk beschouwt lepra als een straf van God voor zondig gedrag van de lepralijder zelf of van zijn ouders. Lepra wordt meestal gezien als het gevolg van de “zonden van het vlees”, voor de kerk in de middeleeuwen de allerergste zonde. Men neemt dikwijls aan dat de lepralijder het kind is van zondig gedrag binnen het huwelijk zoals betrekkingen hebben op door de kerk verboden dagen.

Vrij algemeen werd aangenomen dat lepralijders verplicht waren om zichzelf te identificeren door het dragen van speciale kleding en dat ze hun komst moesten aankondigen met een bel of een ratel. Het was verboden kerken, herbergen of molens te betreden, gezonde personen aan te raken of met hen te eten. Lepralijders werden via een lepra-mis, een dodenmis die het afsterven van de lepralijder uit de maatschappij symboliseert, onderworpen aan de civiele dood, ze verloren al hun rechten en bezittingen.